Vanaf 2025 moeten fabrikanten je kapotte apparaat repareren: het einde van ‘goedkoper vervangen’

Je wasmachine staat al drie jaar in de badkamer als een trouwe metgezel, en dan, op een willekeurige dinsdagavond, stopt hij ermee. De servicemonteur van de fabrikant komt langs, schudt zijn hoofd en fluistert de gevreesde zin: “Duurder om te repareren dan een nieuwe te kopen.” Een situatie die miljoenen Nederlanders kennen. Maar die tijden veranderen. De Europese Unie heeft een richtlijn aangenomen die de spelregels grondig herschrijft, en fabrikanten kunnen voortaan niet meer zo gemakkelijk wegkomen met die standaardzin.

Samenvatting

  • Fabrikanten mogen vanaf 2026 niet meer weigeren reparaties alleen omdat dit ‘duurder is dan vervangen’
  • Je krijgt garantie uitgebreid met één jaar als apparaten tijdens de garantieperiode gerepareerd worden
  • Onafhankelijke reparateurs krijgen eindelijk toegang tot onderdelen en informatie van merken

Wat er precies is veranderd

De Richtlijn voor gemeenschappelijke regels ter bevordering van de reparatie van goederen werd aangenomen op 13 juni 2024 en trad in werking op 30 juli 2024. Lidstaten moeten haar uiterlijk op 31 juli 2026 omzetten in nationaal recht. Voor Nederland betekent dat: de wet is onderweg, de Tweede en Eerste Kamer moeten het wetsvoorstel nog behandelen, maar in de loop van 2026 gelden de nieuwe regels in Nederland en andere EU-landen.

De kern van de zaak is simpel maar krachtig: de invoering van een reparatieplicht voor fabrikanten betekent dat zij verplicht zijn om een reparatie aan te bieden voor producten die technisch gezien te herstellen zijn, ook als de garantie allang is verlopen. Fabrikanten mogen niet weigeren om een reparatie uit te voeren om zuiver economische redenen, zoals de kosten van reserveonderdelen, of omdat eerder een reparatie door iemand anders is uitgevoerd. Dat laatste is een pikant detail: wie zijn telefoon vorig jaar door een onafhankelijke reparateur liet maken, kon tot nu toe worden geweigerd door de officiële fabrikant. Daar komt een einde aan.

Momenteel betreft de reparatieverplichting een relatief beperkte selectie producten: (af)wasmachines, drogers, stofzuigers, koelapparaten, beeldschermen, lasapparatuur, servers en gegevensopslagproducten, mobiele telefoons, tablets en goederen met batterijen voor lichte vervoermiddelen. In de toekomst kan deze lijst worden uitgebreid. Geen kaffezetters of broodroosters dus, vooralsnog. Maar de richting is duidelijk.

Wat de consument er concreet aan heeft

Het “recht op reparatie” is gericht op de periode ná de garantie. De fabrikant is dan verplicht om een reparatie aan te bieden, maar mag daar een redelijke prijs voor rekenen. Wat precies onder een redelijke prijs wordt verstaan is niet duidelijk, maar deze mag in ieder geval niet zodanig hoog zijn dat consumenten daarmee worden afgeschrikt om hun producten te laten repareren. : de oude truc van de torenhoge reparatierekening om de klant richting een nieuwe aankoop te duwen, is straks verboden beleid.

Tijdens de garantieperiode geldt een extra stimulans: als goederen tijdens de wettelijke garantieperiode moeten worden gerepareerd, wordt de garantie met één jaar verlengd. Voor consumenten is dit een extra stimulans om te kiezen voor reparatie in plaats van vervanging. Vervangende apparaten moeten te leen worden aangeboden voor de duur van de reparatie. Wie zijn wasmachine inlevert, staat dus niet weken zonder.

De consument heeft de vrijheid om te kiezen voor een onafhankelijke reparateur, die dankzij de nieuwe regels ook toegang krijgt tot onderdelen en informatie. fabrikanten zullen reserveonderdelen en gereedschap tegen een redelijke prijs moeten aanbieden en zullen geen contractuele clausules, hardware of software mogen gebruiken die reparaties moeilijk maken. Dit raakt rechtstreeks aan de praktijk waarbij sommige merken software-updates gebruikten om apparaten met niet-officiële onderdelen te blokkeren. Die truc is voorbij.

Voor wie zijn klacht niet serieus genomen ziet: een fabrikant die zijn reparatieplicht naast zich neerlegt, overtreedt de wet. In Nederland kunt u in zo’n geval een klacht indienen bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM). De EU plant boetes van maximaal 4% van de jaarlijkse omzet van een bedrijf voor het niet naleven van de reparatieverplichtingen. Dat is voor grote elektronicaconcerns een bedrag dat de aandacht trekt.

De stilte revolutie in het productontwerp

Een centraal uitgangspunt is het principe van “design for repair”: producten moeten vanaf het allereerste concept ontworpen worden met reparatie in gedachten. Fabrikanten moeten ervoor zorgen dat hun apparaten eenvoudig en zonder specialistisch gereedschap uit elkaar te halen zijn. Dit betekent het einde van praktijken zoals het verlijmen van cruciale onderdelen of het gebruiken van afwijkende, propriëtaire schroeven. Componenten zoals accu’s en schermen moeten modulair en gemakkelijk vervangbaar worden.

Die eis klinkt technisch, maar heeft een grote impact op de portemonnee. Fabrikanten moeten reserveonderdelen beschikbaar hebben gedurende minimaal zeven jaar nadat een product niet meer wordt geproduceerd, en moeten deze binnen vijf tot tien werkdagen kunnen leveren. Gecombineerd met het digitaal productpaspoort, een digitale registratie waarin informatie staat over samenstelling, herkomst en reparatiemogelijkheden van een product, wordt zo inzichtelijk hoe iets uit elkaar kan en welke onderdelen nodig zijn.

Het draagvlak voor deze koerswijziging is groot. Maar liefst driekwart van de Nederlandse consumenten geeft de voorkeur aan reparatie boven het vervangen van elektronische apparaten. Een Eurobarometer-enquête bevestigt dit beeld: 77% van alle EU-burgers deelt deze mening. De politiek loopt hier dus niet voor op de burger uit; hij volgt een lang gekoesterde wens.

Nederland doet er nog een schepje bovenop

Zoals opgenomen in het Nationaal Programma Circulaire Economie (2025) wil de rijksoverheid reparatie aanmoedigen. In dit programma zijn verschillende maatregelen opgenomen, waaronder strengere Ecodesign-eisen voor producten, subsidies voor repaircafés en de ontwikkeling van het Nationaal Reparateursregister. In Nederland groeien het aantal Repair Cafés en circulaire initiatieven. In deze cafés werken vrijwilligers samen om kapotte spullen te repareren, zoals huishoudelijke apparaten, kleding en meubels. Wat begon als een sympathieke lokale hobby is uitgegroeid tot een bouwsteen van nationaal beleid.

De financiële impact is niet gering. Consumenten verliezen jaarlijks ongeveer 12 miljard euro door goederen te vervangen in plaats van te repareren. De nieuwe regels zullen naar verwachting ook 4,8 miljard euro aan groei en investeringen in de EU genereren. Reparatie is dus niet alleen goed voor het milieu, het is ook gewoon slimme economie.

De echte vraag is niet of fabrikanten zich aan deze regels zullen houden, maar hoe snel het consumentengedrag mee verandert. Een generatie die gewend is aan snelle vervanging moet opnieuw leren vertrouwen op de levensduur van spullen. De wetgeving creëert de ruimte voor die cultuuromslag. Of die ook echt plaatsvindt, hangt af van ons allemaal.