Frankrijk dwing fabrikanten tot reparaties: het Europese voorbeeld dat verder gaat dan alle regels

Je koopt een nieuwe wasmachine, die na drie jaar de geest geeft. Je belt de fabrikant, en die weigert een onderdeel te leveren. Vertrouwd scenario? Daar komt nu verandering in. Sinds 2025 heeft Europa de spelregels flink aangescherpt. Maar één land gaat verder dan alle anderen: Frankrijk.

Samenvatting

  • De EU dwingt fabrikanten sinds 2025 tot goedkope reparaties — maar één land speelt al jaren op hard
  • Frankrijk straft geplande veroudering met tot 2 jaar cel en 300.000 euro, en betaalt consumenten voor reparaties
  • De Franse reparatie-index werkt: fabrikanten herontwerpen producten om een betere score te krijgen

Wat Europa al heeft afgedwongen

Op 13 juni 2024 nam de Raad de “Reparatierichtlijn” (EU) 2024/1799 aan, die lidstaten verplicht om uiterlijk tegen 31 juli 2026 een aantal maatregelen te nemen om reparatie van goederen te bevorderen. De kern van de richtlijn is ambitieus en concreet. Fabrikanten, zowel gevestigd binnen als buiten de EU, zullen hun producten kosteloos of tegen een redelijke prijs moeten (laten) repareren wanneer een consument daar om vraagt.

Momenteel betreft dat nog een relatief beperkte selectie aan producten: wasmachines, drogers, stofzuigers, koelapparaten, beeldschermen, mobiele telefoons, tablets en goederen met batterijen voor lichte vervoermiddelen. In de toekomst kan deze lijst worden uitgebreid. Maar de richtlijn pakt ook de subtielere reparatiedrempels aan. Dit betekent het einde van praktijken zoals het verlijmen van cruciale onderdelen of het gebruiken van afwijkende, propriëtaire schroeven.

Een van de meest ingrijpende bepalingen gaat over software. Een berucht voorbeeld is ‘parts pairing’, waarbij een nieuw onderdeel, zoals een camerasensor in een smartphone, softwarematig is gekoppeld aan het originele apparaat. Vervangt een onafhankelijke reparateur dit onderdeel, dan weigert de software te functioneren. Dit soort trucs wordt onder de nieuwe regels illegaal. fabrikanten mogen ook niet verhinderen dat onafhankelijke reparateurs tweedehandse of 3D-geprinte reserveonderdelen gebruiken.

Voor de auto-industrie speelde er ook iets op Europees niveau. Sinds 1 mei 2025 is de EU Design Reform (Regulation EU 2024/2822) grotendeels van kracht, met onder andere de Repair Clause. Hierin staat dat de designrechten van autofabrikanten niet langer gelden voor zichtbare ‘must-match’ vervangende reparatieonderdelen, zoals koplampen, bumpers en autoruiten, zolang het gaat om onderdelen die de originele uitstraling van de auto moeten herstellen.

Het financiële argument: wat staat er op het spel?

Volgens de Europese Commissie produceert het voortijdig weggooien van consumptiegoederen 261 miljoen ton CO2-equivalente emissies, verbruikt het 30 miljoen ton grondstoffen en genereert het 35 miljoen ton afval in de EU per jaar. Consumenten verliezen ook ongeveer 12 miljard euro per jaar door goederen te vervangen in plaats van te repareren. De nieuwe regels worden verwacht 4,8 miljard euro aan groei en investeringen binnen de EU te genereren.

Kortom: repareren is niet alleen milieuvriendelijker, het is ook gewoon goedkoper. Uit een Eurobarometer-enquête zou 77% van de EU-consumenten liever hun goederen repareren dan iets nieuws kopen. Toch koopt bijna iedereen uiteindelijk toch nieuw, omdat reparatie te ingewikkeld, te duur of simpelweg onmogelijk bleek.

Waarom Frankrijk ver voorloopt op de rest

De Europese richtlijn is een stap. Maar Frankrijk heeft al jaren geleden besloten het heft in eigen handen te nemen, en dat merk je. In augustus 2015 werd geplande veroudering een strafrechtelijk vergrijp in Frankrijk, strafbaar met twee jaar gevangenisstraf en een boete van 300.000 euro. Het was de eerste keer dat enig land de praktijk formeel had gedefinieerd en verboden in zijn wetboek.

Daar bleef het niet bij. Ingevoerd in 2020 als onderdeel van de Franse anti-verspillingswet, verplicht de Reparatie-index bepaalde producten om een score van 1 tot 10 te tonen die aangeeft hoe eenvoudig ze te repareren zijn. De score weerspiegelt criteria zoals demonteerbaarheid, beschikbaarheid van reserveonderdelen en toegang tot reparatiedocumentatie. Inmiddels is er een reparatie-index voor 11 productcategorieën, waaronder smartphones, laptops, televisies, grasmaaiers, wasmachines, vaatwassers en stofzuigers.

Enquêtes tonen dat meer dan de helft van de Franse consumenten op de hoogte is van de index, en fabrikanten die hogere scores nastreven zijn begonnen met het herontwerpen van producten om toegang tot onderdelen en reserveonderdelen te verbeteren. : het werkt. Als transparantie fabrikanten dwingt te concurreren op repareerbaarheid, dan veranderen ze hun ontwerpen, stilletjes, maar merkbaar.

Maar het meest originele instrument is het reparatiefonds. Om de reparatierekening voor consumenten te verlagen, heeft Frankrijk een reparatiebonus ingevoerd, gefinancierd via het principe “de vervuiler betaalt”, voor 73 alledaagse elektrische en elektronische producten: mobiele telefoons, televisies, wasmachines, ovens, camera’s, luidsprekers, computers, koffiemachines, gereedschap en meer. De hoogte van deze bonus bedraagt ongeveer 20% van de totale reparatiekosten, met vergoedingen van 10 tot 45 euro, afhankelijk van het te repareren product. In totaal bedraagt het reparatiefonds 410 miljoen euro voor de periode 2020-2027.

Geplande veroudering wordt door de Franse wet gedefinieerd als “het gebruik van technieken waarmee degene die verantwoordelijk is voor het op de markt brengen van een product bewust de levensduur ervan beoogt te verkorten om de vervangingsgraad te verhogen.” De wettelijke levertijd voor reserveonderdelen werd teruggebracht tot 15 dagen, van oorsprong 60 dagen in het eerste wetsvoorstel. Dat is een detail dat elke monteur die wekenlang op een onderdeel wacht, zou waarderen.

Wat zijn de grenzen van de nieuwe wetgeving?

Ondanks de ambitie kleven er aan de Europese richtlijn nog blinde vlekken. De reparatieplicht buiten de garantieperiode geldt alleen voor producten die vallen onder afzonderlijke ecodesign-verordeningen. Veel alledaagse apparaten, zoals koffiezetapparaten, broodroosters en koptelefoons, vallen niet onder deze regels.

Repair cafés, waarvan er in Nederland inmiddels meer dan vijfhonderd te vinden zijn, zijn ook nog niet tevreden. Ze worden volgens de wetgeving niet gezien als professionele reparateurs, en kunnen dus vooralsnog weinig met de nieuwe regels. Dat voelt als een gemiste kans: juist die vrijwilligersinitiatieven bereiken mensen die nooit naar een erkende reparateur stappen.

De richtlijn verplicht dat reserveonderdelen worden geleverd tegen een redelijke prijs, maar de opgegeven prijs zal slechts indicatief zijn en mogelijk overschreden worden door fabrikanten. Het concept “redelijke prijs” is ook niet gedefinieerd op EU-niveau, waardoor de verantwoordelijkheid bij de lidstaten of de rechtspraak ligt. Daarnaast bevatten de Europese repareerbaarheidsscores voor smartphones de prijs van reserveonderdelen niet als parameter, wat ze aanzienlijk minder relevant maakt dan de Franse reparatie-index.

Dat laatste is misschien wel de scherpste kritiek. Een score die niet vertelt wat een onderdeel kost, helpt de consument maar half. Frankrijk begrijpt dat. En misschien is dat precies waarom de rest van Europa nu achterom kijkt naar Parijs, niet om de Eiffeltoren, maar om een reparatie-index die gewoon werkt. De vraag is niet of andere landen het Franse model zullen volgen, maar hoe lang ze nog wachten.