Als je in augustus door een Spaanse supermarkt loopt terwijl het buiten 40 graden is, merk je iets vreemds: het is er koeler dan gewoonlijk, maar niet zo ijskoud als vroeger. Geen bibberende tanden bij de groenten, geen schrikcontrast bij de ingang. De airco staat op precies 27 graden, en dat is geen toeval.
Samenvatting
- Een klein Spaans decreet uit augustus 2022 legde de airconditioning wettelijk vast op 27°C
- Heel Europa adopteert nu soortgelijke regels, maar niemand durft nog openlijk toe te geven waarom
- De thermostaat is niet langer een persoonlijke keuze, maar een instrument van staatsbeleid
Wat Spanje in 2022 deed, was radicaal
Op 10 augustus 2022 trad in Spanje een decreet in werking met een opvallend lange naam: het Plan de choque de ahorro y gestión energética en climatización para reducir el consumo en el contexto de la guerra en Ucrania. De strekking was eenvoudiger dan de naam deed vermoeden. Bedrijven, kantoren en overheids- en openbare gebouwen moesten de airconditioning verhogen naar minimaal 27 graden in de zomermaanden, terwijl winkeletalages vanaf 22 uur ’s avonds niet meer verlicht mochten zijn.
Het Spaanse decreet maakte het in veel openbare ruimten wettelijk verboden om de airconditioning lager dan 27°C te zetten. De regel gold voor luchthavens, bars, bioscopen, treinstations, winkelcentra en theaters. Winkels werden bovendien verplicht hun deuren gesloten te houden, om zo min mogelijk energie te verliezen.
De directe aanleiding was de energiecrisis als gevolg van de oorlog in Oekraïne. Het decreet was onderdeel van een wet die de Spaanse overheid aannam om het gasverbruik met 7% te verlagen, in lijn met de Europese afspraken om de afhankelijkheid van Russisch gas te verminderen. Spanje deed iets wat andere landen dachten maar niet durfden: het vastpinnen van de thermostaat bij wet. „We kunnen geen kilowatt stroom meer verliezen”, zei Teresa Ribera, de Spaanse minister van Energietransitie.
Boetes voor bedrijven die de regel negeerden begonnen bij 3.000 euro en konden oplopen tot 90.000 euro. Dat was geen loos dreigement. Inspecteurs kregen de opdracht om winkels en kantoren te controleren.
De praktijk: verzet, aanpassingen en uitzonderingen
Spanje is nu eenmaal geen land waar je regels zonder discussie accepteert. De 27-gradenregel viel met name slecht bij ondernemers in de horeca, toeristische sector en detailhandel, omdat die temperatuur botste met de arbeidswet die voor personeel bij lichte werkzaamheden een maximum van 25 graden voorschrijft.
Het regionale bestuur van Madrid vond dat de Spaanse overheid ver buiten haar boekje ging door de normen landelijk op te leggen. De Britse tabloids schreven over “geroosterde toeristen”, de oppositie eiste intrekking van het decreet. De minister hield voet bij stuk, maar paste de regels iets aan. Bars, restaurants en bepaalde winkels mochten de airco toch “rond de 25 graden” zetten, als compensatie voor het personeel dat fysiek actief werkt, in tegenstelling tot kantoormedewerkers die de hele dag zitten.
Voor een aantal specifieke gebouwen zoals kapperszaken, scholen, ziekenhuizen en het openbaar vervoer gold een uitzondering. In hotels had de maatregel alleen gevolgen voor gemeenschappelijke ruimtes, maar niet voor de hotelkamers, waar de gast zelf de temperatuur mocht bepalen. Zo bleef de kern van de wet overeind, met wat ruimte aan de randen.
Opvallend: milieugroepen waren blij, maar met een kanttekening. „We verspillen ontzettend veel energie aan het koelen en verwarmen van onze huizen”, zei Rodrigo Irurzun van Ecologistas en Acción. „Maar de regels komen wel laat, en zijn echt alleen maar genomen vanwege de oorlog in Oekraïne, niet vanwege het klimaat.”
Spanje als blauwdruk: Europa volgde het voorbeeld
Spanje was niet alleen. Al vóór de Spaanse maatregel kondigde Italië zijn eigen versie aan: openbare kantoren mochten hun airconditioning in de zomer niet lager dan 25 graden Celsius instellen. Spanje volgde vervolgens het Italiaanse voorbeeld, en ook in Spaanse publieke gebouwen mocht de airconditioning in de zomer niet meer koelen onder de 27°C.
Frankrijk eiste dat bedrijven met airconditioning hun deuren gesloten hielden, op straffe van een boete. In de stad Hannover in Duitsland werden mobiele airconditioners en elektrische kacheltjes verboden, behalve in scholen en ziekenhuizen. Een continent trok in korte tijd dezelfde conclusie: koeling is luxe die energie kost, en energie was plotseling schaars en politiek gevoelig geworden.
Wat begon als een noodmaatregel voor de energiecrisis, bleek de voorbode van een bredere beweging. De verwarming en koeling van gebouwen is goed voor 40% van het totale energieverbruik in de EU. Dat gegeven maakt elke beleidsmaatregel op dit gebied politiek relevant, ver voorbij een tijdelijke crisis.
Europa trok de lijn door met structurele wetgeving. De vierde versie van de EPBD (Energy Performance of Buildings Directive) werd in juni 2024 door Europa goedgekeurd en moet uiterlijk juni 2026 door de Nederlandse overheid in de wet- en regelgeving zijn omgezet. Die richtlijn gaat verder dan aircotemperaturen: ze verplicht gebouweigenaren tot slimme beheersystemen die energieverbruik automatisch monitoren en bijsturen. Ieder gebouw met een thermische installatie van minimaal 290 kW moet vanaf 1 januari 2026 een zogenaamd Gebouw Automatiserings- en Controlesysteem hebben.
27 graden: de wetenschap achter het getal
De beperking van de airconditioning op 27 graden heeft te maken met de grens van thermisch ongemak: boven die temperatuur beginnen de meeste mensen effecten te voelen zoals vermoeidheid bij langdurige blootstelling. Het is geen willekeurige keuze. Experts plaatsen de ideale aircotemperatuur tussen de 24 en 26 graden, maar dat heeft ook te maken met de luchtvochtigheid. 27 graden is dus de grens waar comfort eindigt en energiebesparing begint, wat het tot een verdedigbaar compromis maakt, zij het een oncomfortabel één in een Spaanse hittegolf.
De ironie is niet gering: een land dat bekendstaat om zijn verzengende zomers, met temperaturen die regelmatig boven de 40 graden uitkomen, was het eerste dat zijn bevolking leerde omgaan met minder koeling. De bouwsector in de EU absorbeert 40% van de energie en is daarmee de grootste energieverbruiker in Europa, en ongeveer 75% van de gebouwen is energie-inefficiënt. Zolang dat zo is, blijft de thermostaat een politiek instrument.
De vraag die openblijft: wanneer hitte geen uitzondering meer is maar de norm, en gebouwen structureel slimmer moeten worden, wie bepaalt dan straks de grens tussen aangenaam en toelaatbaar? Brussel, Madrid, of uiteindelijk het klimaat zelf?
Sources : spanjevandaag.com | koudeenluchtbehandeling.nl