Klokwissel in 2026 definitief afgeschaft? Dit gebeurt er in Brussel en wat betekent het voor Nederland

Twee keer per jaar hetzelfde ritueel: een uur vooruit, een uur achteruit, en een week lang het gevoel dat je lichaam niet helemaal meedoet. Terwijl Nederland op 29 maart 2026 de klokken opnieuw een uur verzet, groeit in Brussel de druk om daar definitief een einde aan te maken. Maar wie wil dat eigenlijk, waarom lukt het maar niet, en wat betekent dat voor ons in Nederland?

Samenvatting

  • Drie EU-landen forceren een deadline in 2026, maar de rest van Europa wil voorzichtig zijn
  • Het echte gevecht gaat niet over ÓF we stoppen, maar over WELKE tijd we daarna houden
  • Nederland wacht af wat de buurlanden doen — en dat kan alles veranderen

Van energiebesparing naar achterhaald ritueel

De zomertijd was ooit een praktisch idee. De energiebesparing is tegenwoordig echter minimaal: door moderne LED-verlichting en energiezuinige apparaten is het effect minder dan 0,5% van het totale energieverbruik. Wat als slimme maatregel begon tijdens de oliecrisis van de jaren zeventig, is dus al lang geen relevante energiemaatregel meer.

Waar de tijdwissel wél merkbaar effect heeft, is op onze gezondheid. Direct na de wisselingen slapen mensen slechter; vooral direct na de wisseling naar de zomertijd slapen mensen korter. Er zijn ook gezondheidseffecten te zien na de wisselingen: zo komen er meer hartinfarcten voor direct na de wisseling naar de zomertijd. Zulke directe effecten treden niet meer op bij een vaste tijdinstelling voor het hele jaar. Het RIVM onderzocht de beschikbare wetenschappelijke literatuur en concludeerde op basis van meer dan 60 wetenschappelijke studies dat het afschaffen van de zomertijd beter is voor de gezondheid.

De effecten zijn niet min. Een Italiaanse literatuurstudie bij meer dan 115.000 deelnemers toont een stijging aan van het aantal hartinfarcten met 5% na een uurverandering in de lente. Sommige onderzoeken gaan nog verder: een studie voorspelt dat jaarlijks 300.000 beroertes kunnen worden voorkomen als we een standaardtijd zouden aanhouden. Dat zijn geen marginale getallen.

Het Europese dossier dat maar niet opschuift

In maart 2019 stemde het Europees Parlement om winter- en zomertijd tegen 2021 af te schaffen, als reactie op een openbare raadpleging van de Europese Commissie waaraan 4,6 miljoen mensen deelnamen, van wie 84% voorstander was van het beëindigen van de klokwissel. Dat was een duidelijk signaal. Maar dan? Een daaropvolgend wetgevingsvoorstel om er op gecoördineerde wijze een einde aan te maken werd niet gehaald door dezelfde ambitie in de Raad van de EU, die na zes jaar van beraadslaging niet heeft gereageerd met een eigen gemeenschappelijk standpunt.

Het echte struikelblok is niet of de klokwissel afgeschaft moet worden, maar welke tijd daarna permanent van kracht wordt. Landen zijn verdeeld over wat beter is: permanente zomertijd (lichtere avonden, maar donkere ochtenden in de winter) of permanente wintertijd (lichtere ochtenden, maar vroegere duisternis in de avond). Die schijnbaar simpele keuze verdeelt Europa min of meer langs geografische lijnen.

In het noorden zijn landen als Zweden, Finland en Denemarken al lang voorstander van het afschaffen van de dubbele wisseling, maar zij eisen dat de wintertijd permanent wordt behouden. Voor Scandinavische landen zou het invoeren van permanente zomertijd betekenen dat de zon maandenlang pas na 10 uur ’s ochtends opkomt: een vooruitzicht dat als onpraktisch voor het dagelijks leven en de productiviteit wordt beschouwd. Vanuit het zuiden klinkt een andere stem: Spanje, Italië, Portugal en Griekenland zien permanente zomertijd als een voordeel, met meer licht in de avond, lager elektriciteitsverbruik op piekmomenten en grotere toeristische aantrekkingskracht.

Spanje trekt de kar, Polen steunt

Spanje drong er in oktober 2025 bij de Europese Unie op aan te stoppen met het twee keer per jaar verzetten van de klok, waarbij premier Pedro Sánchez de praktijk bestempelde als verouderd en verstorend. “De wetenschap zegt dat het niet bijdraagt aan energiebesparing,” voegde hij eraan toe. “Maar wat de wetenschap wél zegt, is dat het onze biologische ritmes twee keer per jaar verstoort.”

Spanje formaliseerde in Brussel een voorstel om de klokwissel definitief te elimineren vanaf 2026. Finland en Polen sloten zich aan bij dat verzoek tijdens de EU-ministersvergadering voor energie. Polen heropende het debat tijdens zijn voorzitterschap in de eerste helft van 2025 en pleitte voor een deadline in 2026, hoewel een formele deadline nog niet officieel is vastgelegd.

Toch bleef een EU-breed akkoord uit. Tot nu toe is er geen update over dit initiatief en heeft de EU geen nieuw besluit genomen. Dit betekent dat de toekomst van de zomertijd in de EU nog steeds onzeker is, en het huidige systeem van klokwijziging op de laatste zondag van maart en oktober voorlopig van kracht blijft.

En Nederland dan?

De Europese Commissie wil het halfjaarlijks verzetten van de klok afschaffen, maar de EU-lidstaten zijn het hier niet over eens. Nederland houdt de winter- en zomertijd totdat daar duidelijkheid over is. Dat is niet alleen afwachten: Nederland wil bij voorkeur dezelfde keuze maken als de buurlanden, om problemen met grensoverschrijdend verkeer en handel te voorkomen. Een logische redenering voor een land waarvan de economie zo nauw verweven is met Duitsland, België en het Verenigd Koninkrijk.

Wat betreft de voorkeur loopt de informatie overigens uiteen. Terwijl Frankrijk permanente zomertijd steunt (met 59% publieke steun), zou er in de Benelux een voorkeur zijn voor permanente wintertijd. Dat spoort met de aanbeveling van het RIVM: voor de volksgezondheid is het beste om een tijd in te stellen die aansluit op het natuurlijke dag- en nachtritme op aarde, waarbij de zon vroeg opkomt, wat het geval is bij de standaardtijd. Als we het hele jaar door zomertijd instellen, is dat voor de gezondheid minder gunstig dan het hele jaar door standaardtijd.

De vraag is dus niet meer of Europa ooit stopt met het klok verzetten, maar wanneer de politieke wil groot genoeg is om het sleuteldebat te beslechten. De EU buigt zich over de vraag of ze een einde moet maken aan de tweejaarlijkse klokwisselingen. Totdat een definitief besluit is genomen, blijft het huidige systeem van kracht. Misschien is het veelzeggend dat landen die het meest te winnen hebben bij afschaffing, zoals de Scandinavische landen met hun extreme seizoensgebonden licht, al jaren het luidstt pleiten. Voor Nederland wacht het kabinet nog steeds op Europese duidelijkheid, terwijl de wekker elke laatste zondag van maart gewoon een uur vroeger gaat. Of dat in 2027 nog steeds zo is, hangt af van wat er in Brussel gebeurt, en hoe stevig de politieke druk zich vertaalt in besluiten.