Einde van weggooi-cultuur: vanaf 2026 moet fabrikant jouw kapotte wasmachine repareren

Je wasmachine geeft na acht jaar de geest, de garantie is allang verstreken, en toch mag je straks van de fabrikant verlangen dat hij hem repareert. Geen quasi-vriendelijk mailtje meer met een verwijzing naar de garantievoorwaarden, maar een wettelijke plicht. Vanaf 31 juli 2026 verandert de spelregels voor kapotte apparaten fundamenteel in de hele Europese Unie.

De basis hiervoor ligt al twee jaar klaar. De richtlijn over gemeenschappelijke regels ter bevordering van de reparatie van goederen werd op 13 juni 2024 aangenomen en trad op 30 juli 2024 in werking, en lidstaten moeten deze omzetten in nationale regels en toepassen vanaf 31 juli 2026. Nederland zit middenin dat traject: de ministerraad heeft inmiddels ingestemd met een wetsvoorstel voor implementatie van deze richtlijn, dat zoals gebruikelijk voor advies wordt voorgelegd aan de Raad van State.

Samenvatting

  • Fabrikanten verliezen hun excuus: garantie voorbij is straks geen reden meer om je naar de winkel te sturen
  • De wet werkt terugwaarts: zelfs apparaten van voor 2026 kunnen nog geclaimd worden
  • Reparatie hoeft niet gratis, maar mag niet zó duur zijn dat je liever een nieuw apparaat koopt

Waarom deze wet er komt

Het cijfer dat de Europese Commissie zelf aandraagt, is ontnuchterend. Producten die te repareren zijn, worden vaak weggegooid, wat leidt tot 35 miljoen ton afval en 261 miljoen ton broeikasgasemissies in de EU per jaar. Reken maar eens uit wat dat betekent in vrachtwagens: stel je een file voor van 3,5 miljoen vrachtwagens, bumper aan bumper, die meer dan 60.000 kilometer lang zou zijn, genoeg om de aarde anderhalf keer rond te gaan. En dat is dan alleen nog het afval, niet eens de kosten. De kosten voor consumenten om producten te vervangen in plaats van te repareren worden geschat op bijna 12 miljard euro per jaar.

De reden dat mensen zo massaal kiezen voor vervangen in plaats van repareren, is eigenlijk simpel. Vandaag vinden consumenten het makkelijker om een defect apparaat zoals een stofzuiger of wasmachine weg te gooien en een nieuwe te kopen dan om het te laten repareren, omdat reparatie vaak duurder en omslachtiger is dan een nieuw product kopen, en in sommige gevallen is repareren zelfs geen optie. Die scheve verhouding wil Brussel nu rechttrekken.

Wat er concreet verandert voor jouw apparaten

De kern van de wet zit in één simpele zin: reparatie moet ook mogelijk zijn als de garantie voorbij is. fabrikanten-eisen-het-recht-op-reparatie-dat-alles-verandert/”>fabrikanten worden verplicht om vanaf medio 2026 bepaalde producten makkelijker en goedkoper te repareren, ook na de garantieperiode. Dat geldt niet voor elk apparaat in huis, maar voor een afgebakende lijst producten waarvoor al Europese repareerbaarheidseisen bestaan. De productcategorieën die bij de start onder de regeling vallen, zijn huishoudelijke wasmachines en wasdrogers, huishoudelijke vaatwassers, koelapparaten (waaronder koelkasten, vriezers en wijnkoelkasten), stofzuigers, elektronische beeldschermen (waaronder televisies en monitoren), mobiele telefoons, draadloze telefoons en tablets, en servers. Die lijst is niet in steen gebeiteld: naarmate nieuwe Ecodesign-regelgeving wordt aangenomen onder de ESPR-verordening, zullen in de loop van de tijd extra productcategorieën aan bijlage II worden toegevoegd. Denk aan meubels, textiel of banden, die al op de radar staan voor toekomstige uitbreiding.

Interessant detail: de verplichting werkt met terugwerkende kracht. Wie nu al een wasmachine in huis heeft, hoeft niet te wachten tot een nieuw aankoopmoment. Wat de richtlijn wél verbiedt, is dat fabrikanten de reparatieplicht ontlopen door simpelweg te stellen dat een product vóór 31 juli 2026 is verkocht; deze terugwerkende kracht is een van de operationeel meest ingrijpende aspecten van de richtlijn, en een consument die in 2022 een wasmachine kocht, heeft straks evengoed recht op een reparatie door de fabrikant.

Belangrijk is ook wie precies verantwoordelijk is. Niet alleen de winkel waar je het apparaat kocht, maar de fabrikant zelf staat nu aan de lat. Fabrikanten van producten die onder repareerbaarheidseisen in de EU-wetgeving vallen en die vermeld staan in bijlage II van de richtlijn, moeten die producten binnen een redelijke termijn en tegen een redelijke prijs repareren. Gratis is het dus niet per se, maar wel betaalbaar: de richtlijn vereist dat reparaties tegen een redelijke prijs worden aangeboden, al maakt ze reparaties niet gratis; wat wel verboden is, is het zo prijzen van onderdelen of reparatiediensten dat consumenten er in de praktijk van worden afgeschrikt om voor reparatie te kiezen in plaats van vervanging.

Kies je toch voor reparatie binnen de garantieperiode, dan levert dat een extraatje op. Als een consument tijdens de wettelijke garantieperiode kiest voor reparatie in plaats van vervanging, wordt de aansprakelijkheid van de verkoper met twaalf extra maanden verlengd vanaf de datum waarop de reparatie is voltooid. Voor wasmachines geldt bovendien een relatief lange horizon waarop onderdelen beschikbaar moeten blijven: volgens juridisch advieskantoor Barentskrans loopt die termijn op tot tien jaar, tegenover zeven jaar voor smartphones, precies omdat de repareerbaarheidseisen per productgroep verschillen.

Wat als repareren écht niet kan

Niet elk kapot apparaat is te redden, en de wet houdt daar rekening mee. Alleen wanneer reparatie feitelijk of technisch onmogelijk is, vervalt de verplichting voor de fabrikant. In dat geval hoeft hij geen gloednieuw toestel te leveren: als reparatie onmogelijk is, moeten fabrikanten aan consumenten refurbished producten aanbieden. Wie op zoek gaat naar een onafhankelijke reparateur in plaats van de fabrikant zelf, krijgt daar binnenkort ook digitale hulp bij. De Commissie ontwikkelt tegen 31 juli 2027 een gemeenschappelijke online-interface voor een Europees reparatieplatform, dat volledig operationeel moet zijn per 1 januari 2028. Tot die tijd blijft het vooral aan nationale overheden, winkeliers en fabrikanten om de zaak op orde te krijgen.

Voor Nederlandse consumenten betekent dit vooral dat de vertrouwde reflex, kapot is kapot, dus maar een nieuwe kopen, langzaam plaatsmaakt voor een andere afweging. Reparatiebedrijven krijgen een grotere rol, tweedehands en refurbished apparaten winnen aan legitimiteit, en fabrikanten die nu al inzetten op modulair ontwerp en beschikbare onderdelen staan er straks beter voor dan concurrenten die alles op wegwerpelektronica hebben gebouwd. De vraag is niet meer óf de wasmachine langer meegaat, maar hoe snel de sector zich aanpast aan een wereld waarin weggooien niet langer de makkelijkste weg is.