Frankrijk smijt miljarden naar offshore wind en krijgt jaren niks terug: het debacle achter de grootste energiefaalure van Europa

Mei 2011. Parijs lanceert zijn eerste grote aanbesteding voor offshore windparken: vijf strategische zones langs de Franse kust, goed voor een maximale capaciteit van 3.000 megawatt. De ambitie was glashelder, de zones zorgvuldig gekozen: Le Tréport, Fécamp, Courseulles-sur-Mer, Saint-Brieuc en Saint-Nazaire. Wat volgde was geen industrieel succesverhaal, maar een odyssee van bureaucratische blokkades, juridische gevechten en verspild potentieel. Meer dan tien jaar lang produceerden die zorgvuldig gekozen windparken letterlijk nul kilowattuur voor het nationale elektriciteitsnet.

Samenvatting

  • Frankrijk investeerde miljarden in offshore wind maar zag jaren lang geen enkele kilowattuur opbrengsten
  • Terwijl buurlanden hun windvloten uitbouwden, werd Frankrijk in knopen gelegd door juridische procedures en toerisme-lobbies
  • De eerste parken die wél werkten, bleken tot de duurste van Europa — en verloren miljarden door slecht ontworpen contracts

Twee miljard euro, een decennium wachten

Frankrijk bezit het tweede grootste offshore windpotentieel van Europa, maar wat op papier een industrieel startpunt leek, groeide uit tot een langdurig administratief lijdensweg. De cijfers zijn schrijnend: het Verenigd Koninkrijk domineerde eind 2025 met circa 17 GW geïnstalleerd vermogen op zee, Duitsland telde bijna 9,6 GW. Frankrijk bereikte in het voorjaar van 2026 nauwelijks 2 GW. Nederland, met een beperkter windpotentieel, stond op 4,7 GW. Een achterstand van minstens een decennium, terwijl de wind langs de Franse kusten er al die tijd gewoon bleef waaien.

Hoe kon dit zo misgaan? De ontwikkeling van offshore wind in Frankrijk werd geremd door een combinatie van regelgevingsinefficiëntie, juridische en technische uitdagingen, publieke weerstand, een historische focus op kernenergie, industriële beperkingen en financiële obstakels. Het centrale probleem bleef de juridische procedures: toerismesector vreesde omzetderving, vissers maakten zich zorgen over hun toekomst, natuurbeschermers wezen op bedreigde soorten, en verliezende inschrijvers betwistten de rechtmatigheid van de aanbestedingen.

Daar bovenop woog de Franse kernenergie-traditie zwaar. Het energiebeleid van het land werd altijd gedomineerd door kernenergie, goed voor zo’n 75 à 80 procent van de elektriciteitsproductie. Die sterke afhankelijkheid verminderde de urgentie om te investeren in offshore wind. Buurbedrijven als Denemarken en Nederland bouwden ondertussen hun windvloten systematisch uit, gesteund door sterke politieke wil en efficiënte vergunningsprocedures.

De prijs van vertraging: contracten op maat van een andere tijd

Wanneer de eerste parken uiteindelijk wél operationeel werden, bleek de rekening een onaangename verrassing. De eerste drie Franse offshore windparken, Saint-Nazaire, Fécamp en Saint-Brieuc, behoren tot de duurste van Europa, met investeringen in de hoogste range van 3 tot 5 miljoen euro per MW. Dit is grotendeels te wijten aan logistieke kosten, het ontbreken van schaalvoordelen en de afwezigheid van een volwassen toeleveringsketen.

De contractuele constructie maakte het er niet beter op. De parken van Fécamp, Saint-Nazaire en Saint-Brieuc werkten met afnameverplichtingen: de volledige productie werd aangekocht tegen een gegarandeerd tarief, ook tijdens periodes van negatieve stroomprijzen. Volgens de Franse energieregulator CRE vertegenwoordigden die negatieve prijzen het equivalent van 235 uur in het eerste semester van 2024, wat leidde tot een verlies van circa 80 miljoen euro voor het gesubsidieerde Franse windparkbestand. Een beleidsfout die achteraf repareren kostte: in juni 2025 ondertekenden de drie parken aanvullende contracten die hen toelaten hun productie stop te zetten tijdens periodes van overproductie.

Om de maat vol te maken: de plannen voor het Oléron 1 offshore windpark liepen vast nadat de AO7-aanbesteding in september 2025 zonder één bod sloot. Ondanks negen gekwalificeerde ontwikkelaars diende niemand een voorstel in, vanwege krappe tijdlijnen, prijsproblemen en beperkingen van de locatie. Een aanbesteding zonder bieder. Dat zegt meer dan een rapport.

Eindelijk wind in de zeilen, maar de achterstand blijft kolossaal

Vanaf 2024 begon de situatie te ontgrendelen met de inbedrijfstelling van de parken Saint-Brieuc en Fécamp. Dat jaar genereerden de zeewindinstallaties bijna 4 TWh, goed voor 0,7 procent van de Franse elektriciteitsproductie. Weinig, maar wel een echte breuk met de jaren van stilstand.

Tenzij het de uitrol versnelt, heeft Frankrijk mogelijk slechts 3 GW operationeel offshore windvermogen tegen 2032, ver verwijderd van de overheidsdoelstelling van 18 GW in 2035. De Franse energie- en klimaatinstantie waarschuwt zelf dat de meeste projecten die werden toegewezen tussen 2019 en 2022 pas operationeel zullen zijn tussen 2028 en 2032. Zelfs de nieuwe generatie grote projecten volgt een vergelijkbaar patroon van uitgestelde ambities: TotalEnergies en RWE wonnen in september 2025 de Centre Manche 2-aanbesteding, maar verwachten pas in 2033 met productie te starten.

Toch zijn er lichtpunten. Eind 2025 was 6,84 GW aan offshore windprojecten toegewezen in Frankrijk, waarvan 1,9 GW al in bedrijf, 1,1 GW in aanbouw en 3,9 GW in de ontwikkelingsfase. De routekaart mikt op 40 GW verdeeld over 50 parken tegen 2050. Op technologisch vlak draait er zelfs een primeur: in mei 2026 leverde het EFGL-pilotproject, een drijvend windpark 16 kilometer voor de kust van Port-La Nouvelle, voor het eerst stroom aan het Franse net.

De échte vraag is of het structurele probleem, die trage vergunningmachine, intussen echt veranderd is. De 2,4 GW capaciteit toegewezen in aanbestedingen tussen 2019 en 2022 wordt pas tussen 2028 en 2032 verwacht, omdat projecten nog in de haalbaarheidsfase zitten. De langdurige en complexe vergunningstprocedures zijn opnieuw verantwoordelijk voor de lange doorlooptijden. Frankrijk heeft het potentieel, de kustlijn, de wind en nu ook de politieke wil. Of die wil ook resulteert in een efficiëntere overheid, of dat over vijf jaar de volgende generatie journalisten opnieuw hetzelfde verhaal schrijft, dat blijft voorlopig de spannendste vraag langs de Franse kust.